Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Verhevenheden, die tot aanhechting van spieren en banden dienen zij ruw, niet met ki aakbeen bedekt.

a. Knobbel, een verhevenheid van belangrijke grootte. — Zitbeensknobbel. groote en kleine draaier.

b. Knobbeltje, kleiner dan de voorgaande. — Spaakbeen.

c. Doorn, een puntige verhevenheid. <>pperkaak, zitbeen, enz.

d. Kam. een vooruitstekende scherpe lijn. die gewoonlijk in de richting van een der grootste afmetingen van het been loopt. — Opperarmbeen, darmbeen.

e. Lijn. verschilt van den kam. doordat zij minder sterk vooruitspringt. — Wandbeen.

f. Tak. arm, een uitstekend beenstuk, welks lengte de dikte overtreft en niet puntig eindigt. — Schaambeen. onderkaak.

g. Uitsteeksel loopt meer spits too. — \ ele beenderen van het hoofd, wervels schouderblad.

B. Groeven, holten. I)e groote holten, die door verscheidene beenderen worden gevormd zijn de schedel-, ruggemerg-, borst- en bekkenholte. De overige, tot wier vorming meestal slechts één been bijdraagt, onderscheidt men in:

«. Groeve, holte van belangrijke diepte met scherp begrensde randen. — Schouderblad, dijbeen.

b. Sleuf; de lengte overtreft de breedte en diepte. — Opperarmbeen.

Sluiten