Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aanhechting. — Onderste derde deel van den buitenrand en den onderhoek van het schouderblad, loopt onder de kleine ronde en wordt lateidoor het lange hoofd van de driehoofdige armspier van haar gescheiden — met de breede rugspier aan den kl. knobbel.

III. De gruote zaag spier en de ruitvormige spier.

Groote zaagspier.

Aanhechting. — Met 9 tanden van de 8 bovenste ribben (van de 2e rib met twee tanden) — voorste lip binn. schouderbladsrand. Hare vier onderst» tanden grijpen tusschen de vier bovenste van de buitenste schuine buikspier.

Ruitvormige spier.

Aanhechting — Bovenste — van de doornuitsteeksels der ;3 onderste halswervels — onderste van de 5 bovenste borstwervels — van de schouderbladsgraat tot den onderhoek, aan den binnenrand van het schouderblad.

Het sleutelbeen en de schouderbladskam ontmoeten elkander in den schouder top. Aan de beenige streep, aldus gevormd, hechten zich aan de bovenzijde de monnikskapspier (Aanhechting: achterhoofdskn., bovenste'halve cirkelvormige lijn, nekband, doornuitsteeksels van den 7en tot den laatsten borstw., sleutelbeen, schoudervlak en kam van liet schouderblad), aan de onderzijde de drie-

Sluiten