Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hiertoe helpt de aehteroverkantelaar zeer mee.

Van terzijde gezien is het ondereinde van liet opperarnibeen eenigszins naar voren gebogen; het achterste gedeelte vertoont dan ook een gebogen lijn, die gebroken wordt door het haakvormig uitsteeksel van de ellepijp.

E11 e p ij p en spaakbeen. Ellepijp is de grootste. ligt aan de binnenzijde, is van boven het dikst.

1. Het boveneinde vertoont een halvemaanvormig uitgeholde gewrichtsvlakte, beantwoordende aan de katrol van het opperarmbeen. Het bovenaehterdeel. het haakvormig uitsteeksel, met het achterste deel, elleboogs uitsteeksel, past in de achterste groeve. Het vooronderste deel, het kraai en bek- of kroon vormig uitsteeksel plaatst zich bij buiging van den voorarm in de groote groeve. Aan de spaakbeenszijde een geledingsvlakte voor de verbinding met het spaakbeenshoofdje. Onder het kroonuitsteeksel is de e 11 e p ij p s k n o b b e 1, aanhechting inwendige armspier.

2. Het middelstuk is driezijdig, met ellepijpskam naar het spaakbeen toe.

3. Het ondereinde, het hoofdje geleedt zich met het spaakbeen; van den achtersten omtrek daalt liet stijluitsteeksel neer.

Het spaakbeen ligt aan de buitenzijde en is korter.

Sluiten