Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(in supinatie) of met den duim tegen de dij en de handpalm naar achteren (in pronatie). Alvorens een arm te teekenen moet men weten, welke van deze houdingen de arm aanneemt.

De arm in natuurlijke houding (in pronatie) wordt geteekend als in fig. 44 A en voortgezet als in fig. 53ft 6. De vorm van den elleboog wordt eerst aangegeven (binn.kn.), daarna het einde van de ellepijp ; de lange lijn van de ellep. wordt aangegeven door een korte lijn (de kleine elleboogspier) en een lange lijn • de ellep.). Beneden of naast deze lijn loopen twee gebogen lijnen, de buigers voorstellende, zij vormen een buitenlijn van den voorarm. De bovenste van deze twee lijnen begint niet aan het elleboogsuitsteeksel, maar een weinig er beneden, terwijl de onderste niet precies tot het handgewricht reikt. Bij den vrouwenarm is de buitenlijn meer gevuld en loopt lager naar het handgewricht toe. De andere buitenlijn van den voorarm is verdeeld in twee lijnen, die op het midden bij elkander komen. Het bovengedeelte stelt de armspaakbeenspier voor, beginnende op een derde van den bovenarm. Het ondergedeelte vertegenwoordigt het ondereinde van het spaakbeen, eenigszins gezwollen door de duimtrekkers. Het handgewricht is aan die zijde een gebogen buitenlijn, gevolgd door een weinig holle lijn voor den handrug, en dan een dubbele lijn voor den vinger. Van den bovenarm wordt eerst de deltaspier geteekend, dan aan de eene zijde

7

Sluiten