Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beenderen vormen door hunne voorarmvlakte een gewelfd hoofd, dat in de gewrichtsholte tusschen de stijlvormige uitsteeksels der beide voorarmbeenderen wordt opgenomen. De vereeniging van de eerste met de tweede rij handwortelbeenderen heeft volgens een gegolfde lijn plaats. De vingervlakten van de tweede rij handwortelbeenderen verbinden zich met de grondvlakten der middelhandsbeenderen. De ruggevlakten gezamentlijk vormen een geringe welving, de handpalmvlakten een uitholling.

De handwortel kan zijwaarts gebogen worden in hetzelfde vlak als de voorarm (fig. 54 11) naar de pinkzijde.

In 2 en 6 fig. 54 is te zien dat de hand tot een rechten hoek kan gebogen worden en gestrekt niet verder dan 45 graden.

De vingers liggen niet in het verlengde van den handrug, 1 en 12. Bij gebogen hand kunnen de vingers rijzen, terwijl de laatste vingerkootjes gebogen blijven.

De handwortel heeft éen voor, éen achter en twee zijvlakken. Het duimvlak heeft een trapeziumvorm en is afgeplat door het breede uiteinde van het spaakbeen, de pinkzijde door de ellepijp en de pees van den binnensten handbuiger, welke pees bij buiging van het handgewricht het best te zien is. Tusschen de pees en de ellepijp is een smalle holte, die naar achteren loopt en zich verliest in de lijn van de ellepijp.

Sluiten