Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het opperarmbeen vertoont zich aan de buitenzijde door den buitenknokkel of nog duidelijker door de ruimte tusschen den buitenknokkel en het hoofd van het spaakbeen (fig. 57), aan de binnenzijde door den binnenknokkel, die zich iets hooger bevindt dan het eigenlijke beenuitcinde (fig. 45).

In de teekening loopt een stippellijn door den elleboog; deze lijn loopt van het elleboogsuitsteeksel naar de binnenzijde van het gewricht. Aan de bovenzijde van de stippellijn is de buitenkn. opporarmb., aan de onderzijde het hoofd van het spaakbeen. Het sp.b. is ongeveer twee-derde van de opperarm (-f schoudertop), de ellepijp: den opperarm is 3:4; hand -f- handgewricht: spaakbeen is 5:6, of als 5:7 tot de ellepijp.

De afstand van den oksel tot het ellebooggewricht is gelijk aan de lengte van den voorarm; op de helft van den voorarm vindt men de grens van de massa van de ai mspaakb.sp. Deze helft

de rug van de hand = de lengte der vingers.

De hand met handgewricht is gelijk aan de hoogte van het aangezicht. De wijsvinger is de helft van hand -J- handgewricht, en de twee laatste vingerkootjes zijn in lengte gelijk aan het eerste kootje, is de lengte van den neus. De proporties moeten genomen worden met gebogen vingers, zoodat de 2 uiteinden bij de kootjes gerekend worden. De vr. vingers zijn in vergelijking langer, de hand smaller, ook de handwortel.

Sluiten