Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het middelstuk is driezijdig: de voorrand, scheensbeenskam is scherp en is een voortzetting van den scheenbeensknobbel. De minder scherpe buitenrand is door den tusschenbeensband met het kuitbeen verbonden. De binnenrand is hol. Binnenvlakte is gewelfd; buitenvlakte hol.

Het ondereinde is vierzijdig piramiedvormig. Onderste gewrichtsvlakte is hol en verbindt zich met het kootbeen. De binnenvlakte zet zich in den binnenenkel. welke zich sterk naar beneden verlengt, voort. Aan de achterzijde ziet men de sleuf van den binnenenkel. Aan de buitenzijde de kuitbeensinsnijding.

De scheenbeenskam is direct onder de huid.

De dwarse assen van de twee uiteinden van het scheenbeen liggen niet in hetzelfde vlak. Het been is gedraaid. Terwijl het boveneinde direct naar voren ziet is het ondereinde eenigszins naar buiten gedraaid, dus ook de voet: zoodat, wanneer hielen en teenen naast elkander staan, de knie naar binnen gedraaid is. In gewonen stand maken de voeten een hoek van 45°. Is de eene knie voor de andere geplaatst, dan zijn hielen en teenen meer naar elkander toe. Een leelijke stand is wanneer de voeten evenwijdig loopen, terwijl de beenen op een afstand van elkander staan, of als de teenen dichter bij elkander staan, dan de hielen. Bij een zittend figuur zijn de teenen niet zoover van elkander verwijderd.

Het kuitbeen is even lang, maar dunner dan

Sluiten