Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bel, zitbeenstakken en neerd. schaambeenstak — binnenlip scherpe lijn van kl. dr. tot binn. dijbeensknokkel.

V. Spieren aan het onderbeen (achterzijde).

De tweebuikige kuitspier en scholspier.

Tweebuikige kuitspier. Aanhechting. Met twee hoofden, I binnenste lange hoofd boven binnenknokkel dijbeen; II buitenste aan den buitenknokkel — als pees van Achilles aan het hielbeen.

Scholspier. Aanhechting. Hoofdje en bovenste helft kuitbeen en bovenste helft achtervlakte binnenhoek scheenbeen — pees van Achilles.

VI. Buitenzijde van het been.

Lange kuitbeenspier. Aanhechting. Het bovenste ged. van het kuitbeenshoofd. het onderste iets lager, — le wigvormig been en le en 2e iniddelvoetsbeen.

Korte Kuitbeenspier. Aanhechting. Twee-derde onderste ged. kuitbeen — knobbel 5e middelvoetsbeen.

VII. V oorzijde van het been.

Derde kuitbeenspier. Aanhechting. Onderste helft kuitbeen — basis 5e middenvoetsbeen.

Voorste scheenbeenspier. Aanhechting. Buitenknokkel en buitenvlakte scheenbeen —'le wigv. been en grondvlakte, le middel voetsbeen.

Korte kuitbeenspier. Aanhechting. Onder de voorg.sp. van onderste kuitbeen — achter den buitenenkel — 5e middenvoetsbeen.

Lange strekker grooten teen. Aanhechting.

Sluiten