Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan elke zijde van den band vertonnen zich de scheenbeenknokkels, (D)en (F). De binnenknokkel (D) vertoont een breede gebogen oppervlakte naar den s c h e e 11 b e e 11 s k a m gaande. Boven (D) isdebinnenknokkel van het dijbeen, met de pezen van de kleermakerspier, de dunne dijspier, en de halfpeesachtige spier. De buitenknokkel (F) lijkt een kleine ronde verhevenheid, evenals het hoofdje van het kuitbeen, achter den knokkel gelegen. Tusschen deze twee gaat de pees van de spanspier van de dijschede (Hi over het kniegewricht, terwijl naar het kuitbeen de pees van de biceps gaat (I). Van den knokkel (F) gaan de voorste scheenbeenspier en de lange teenenstrekker schuin langs het onderbeen.

Boven de knieschijf is de pees (K) van den onderbeenstrekker, kort aan de binnen en zeer lang aan de buitenzijde; daar boven is de massa van de buitenste (L) en binnenste (M) breede dijspier.

Onder en boven de knieschijf strekken zich de vette massa's (N en O) uit, die tot het synoviaal vlies behooren en zich aan beide zijden deipezen vertoonen.

Sluiten