Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4, ö, 6. De drie wigvormige beenderen liggen vóór het scheepvormigbeen. Van het eerste (binnenrand van den voet) is de onderrand naar de voetzool gekeerd. Het tweede is meer naar achteren gelegen. Het derde verbindt zich naar buiten met het teerlingbeen 011 het 4e middelvoetsbeen.

7. Het teerlingbeen ligt aan den buitenrand van den voet, vóór het hielbeen.

Beenderen van den middelvoet.

Van de vijf middelvoetsbeen deren is liet eerste kort en dik, het tweede het langste, het vierde en het vijfde vereenigen zich met het teerlingbeen.

Het vijfde heeft aan zijn ondereinde, naar buiten, een knobbel.

Beenderen der teenen.

De kootjes der eerste rij zijn een weinig gebogen, die der tweede kort, plat en breed; de nagelkootjes eindigen met een knopvormige verdikking.

De beenderen van den voetwortel en den voorvoet vormen een naar boven gewelfde plaat; zij steunt op den grond met den rand van het hielbeen en de voorste uiteinden der voorvoetsbeenderen, vooral met de gewrichten van het eerste en het vijfde, die zich met de groote en kleine teen vereenigen.

Sluiten