Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het voorste uiteinde van het eerste voorvoetsbeen steekt meer naar voren uit dan het vijfde; de hoogte der welving is aan den rand der kleine teen geringer dan aan dien der groote. I)e beenderen van den voet kunnen vergeleken worden bij een waaier, waarvan de stralen nabij den steel vertikaal op elkander liggen. Zoo kan de voet in de lengte in twee afdeelingen verdeeld worden, die met de voorste uiteinden naast elkander in een horizontaal vlak liggen, maar naar achteren zoo verschoven zijn, dat het éene gedeelte boven het andere komt te liggen. De grensscheiding dier beide afdeelingen valt tusschen den vierden en vijfden teen: de spleet tusschen het derde en vierde middelvoetsbeen zet zich in den voetwortel voort tusschen het derde wigvormige, het scheepswijze en kootbeen aan de eene en het teerling- en hielbeen aan de andere zijde.

De eene afdeeling (hielb., teerlingb. en 2 kleinste teenen) is vlak, de andere naar voren en beneden afbellend en aan de voorzijde breed, daar zij drie teenen en wel de grootste bevat. In lengte zijn beide afdeelingen gelijk. Het hielbeen. der eene afdeeling beantwoordt aan het kootbeen van de andere, en in de eene afdeeling vormt het scheepvormigbeen en de drie wigvormige beenderen de ruimte tusschen lyst achterste voetwortelbeen en de voorvoet in de andere alleen het teerlingbeen.

De voorste eindvlakken van het kootbeen en hielbeen liggen in hetzelfde frontale vlak.

Sluiten