Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den hiel; de buitenenkel is laag, de binnenenkel zeer hoog; in het binnenaanzicht is het gewricht in het verlengde van de buitenlijn gelegen, terwijl de buitenenkel nauwelijks te zien is.

De verbinding van het scheenbeen met het booggedeelte van het voetskelet ide vreef) is in (B) en (C) duidelijk zichtbaar; de onderlijn raakt den grond achter den grootenteenbal, en gaat door als een rechten lijn (C). De afgelegen buitenlijn van de vreef buigt zich voor den kleinen teen om.

In het buitenaanzicht neemt de hiel een derde van de geheele lengte in en eindigt even vóór den buitenenkel. In (Dl zijn twee kleine rechte lijnen geteekend; de onderste geelt de richting van de pees van de korte kuitbeenspier weer, de bovenste van de derde k u i t b e e nsp i e r.

In (N) is de buitenlijn van den kl. teenbal een dubbellijn, en verheft zich de kl. teen op den bal. zoodat als in (Ml de bal en niet de teen de buitenlijn vormt. In (L) is de verdeeling van het zijaanzicht aangegeven. (Oi is de eenvoudige vorm van (K).

De teenkootjes liggen in de richting van de middelvoetsbeenderen. De kootjes der eerste rij zijn een weinig gebogen; de kootjes der tweede rij zijn plat en kort, de nagelkootjes eindigen in een knopvormige verdikking. De kootjes van den grooten teen zijn bijzonder dik. Het eerste

Sluiten