Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(30, 50, 100) bereikt. Wordt een tweede partij gespeeld, dan heeft de verliezer van de eerste partij het recht op den eersten stoot. Gewoonlijk wordt slechts om het billardgeld gespeeld, dus: de winner betaalt niets en de verliezer betaalt de gemaakte kosten voor het gebruik.

Is de vaardigheid van de tegenstanders ongelijk, dan is het gebruikelijk, dat de beste speler den zwakkeren zooveel punten voorgeeft, dat ook dezen de mogelijkheid geboden wordt, te winnen. Dit voorgeven bestaat gewoonlijk daarin, dat de minste speler zooveel carambols minder behoeft te maken, als met 't oog op zijn mindere geoefendheid billijk kan geacht worden. Speelt de één ongeveer tweemaal zoo goed als de ander, dan zal hij op 50 dus 25, op 100 dus 50 carambols voor geven. De zwakste speler kan dan bij 't begin der partij 25 resp. 50 punten opteekenen. De beste speler moet nu in de eerste plaats deze punten zoeken in te halen. Blijft hij nog beneden 't voorgegeven aantal punten, dan wordt hij in 't Duitsch ,,Schneider" genoemd. De voorsprong was dan niet gemotiveerd en kan verder ook niet verlangd worden. Een voorsprong tot vereffening van 't verschil in bekwaamheid kan echter ook op andere wijze gemaakt worden. De sterkste speler kan zich b.v. verplichten, alle carambols indirect of met voorhanden te maken of een zoogenaamde cadrepartij *) tegen een vrije partij te spelen.

*) Hierbij is de speelvlakte door krijtstreepen langs de banden, op 3, 5 en 4 dM. afstand, in 4 hoekkwadraten, 4 band-rechthoeken en een groot rechthoekig middelveld

Sluiten