Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Klank- en letterteeken I. Allereerst komt eene repetitie van het woordschrift, en dan de opgave: Teeken den naam Abel, (iemand, open, oester), om de aandacht te vestigen op a, o, ie, oe, waarna de overeenkomstige klanken worden gezocht en geteekend naast de prentjes van paard, koe, mier, boor enz.

Om de eerste medeklinkers te onderscheiden is alles zoodanig voorbereid, dat naast de eigen teekening, de teekens komen voor het spraakgevoel, dat de A zelfs is gevonden, dat het kind weet, wat fluisteren is en „heelemaal hardop", waarna het kind voor het bekende verschil wordt gezet. (Zie Handl. pag. 36: 15).

Toch komen er woorden te pas (gehoorsvoorstellingen geassocieerd aan gezichtsvoorstellingen), die het kind nog niet heeft: als b. v. in het woordschrift, „sprong" (hazesprong), „vang" (van een molen); in „klank- en teeken" het woordje „aar" of „aas".

In al die gevallen zijn de middelen zeer verschillend: „aren" deel ik uit, een sprong gebruik ik als sigarenpijpje, bij een molen kan men de jeugd brengen; soms moet een prentje het alleen doen: „schoven". (Zie Woordschrift pag. 24).

Enz. enz.

»Als de onderwijzer (es) klaar is."

Sluiten