Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeten voldoen, wordt de leergang eendeels daardoor bepaald.

Voor de verschillen aap en aal is de a noodig. Voor „aap" en „oom" bovendien de oo; voor „aap" en „moe" weer de oe.

Zoo ontstond alvast een deel van den leergang: A(bel), o(pen), oe(ster), aap en aal; aap en oom; aap en moe. Daarna ma en mee, (de c onbekend) enz. enz.

Leergang: Al de verschillen in Klank en Teeken I, II, III, hangen als de schakels van een keten aan elkander, (leergang van enkelvouden).

Tot de leerstof behoort ook het teeken, zoodra dat gegeven en in het geheugen geprent moet worden.

Het aanleeren van het teeken geschiedt door geen enkel kunstmiddeltje. (Zie ook „klankdictee").

Voorbeeld: „In welke woordjes hoort gij het gefluister van „eet"? Zet het teeken naast uwe teekening".

Alzoo wordt het teeken aangeleerd door het b. v. tienmaal vinden van de overeenkomst, de zaak, te verbinden (associeeren) met het geleerde teeken.

Ook voor het leeren schrijven der letterteekt ns bestaat een leergang.

a. De meer rechtlijnige „blokletters".

b. De „onderkast"-letters.

c. Daar naast de „schrijfletters".

Sluiten