Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het kind had zich zoo geopenbaard: „/V kan ik niet teekenen". Moet het nog sterker?

Er was een kind in de klasse, dat mij zeide: „Ik heet Izak (het zei dus niet Izaak). Toen bracht ik de klasse op een zak voor suiker, en gaf op: „Teeken Izak".

Er kwam lE(zak); en één roep klonk, toen ik de IE achter „zak" teekende: „Zakkie", en »lollige" gezichtjes.

Ik liet „mijn aanval" tot een volgende les rusten. Toen kwam een bord met oesters; [geen kind wilde er een mond aan zetten; eene kweekeling werd er haast „onwel" van, een derde vond het banket „oudbakken"].

Geen van de kinderen had ooit een oester gezien, doch na onzen maaltijd, was zaak en woord even klaar, als zaak en woord „lamp".

Na de opgave klonk het bij sommigen, die ster geteekend hadden (op de repetitie was (ster) (kers) geweest):

„Oes' kan ik niet teekenen.

„Oe kan ik niet teekenen".

Eene oefening vroeger had de klasse „Bello" moeten teekenen:

(bel)oo,

Sluiten