Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar kwam de moeder weer binnen, en Jan draaide zich om: „Moe, Piet eet een appel, en hij zegt dat er maar één is".

„Ja", zei de moeder: „dat is ook zóó".

Krijg ik dan niets?

„Zeker", zei moeder. *

„En er is maar één", riep hij en keek naar Piet, die net het laatste hapje opat, en zijn beide handen liet zien, waar niets meer in was.

„Hij heeft den appel al op", riep Jan en keek naar Piet.

Piet schudde met het hoofd van „neen".

„Niet?" riep Jan. „Kijk moe, hij eet nog".

„Ja", knikte Piet.

Kom zei moe, wijs je broer de andere helft en plaag hem niet. Dat is nu zeker weer, omdat jelui strak geheimpjes had, die hij niet mocht hooren.

Piet ging naar de kast toe, en Jan ook, en toen was Jan tevreden en begon ook te smullen.

Vragen: Wat riep Jan toen hij Piet zag eten?

(Jij eet).

En wat beteekende die vinger (zóó) van Piet? ... (één).

enz.

Sluiten