Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoolhoofd, of een onderwijzer(es) in te roepen, — dan herhale men hoofdelijk de vragen zoo kort mogelijk.

Opm. 2. Er zijn nog een paar woorden: aan en aap, die ook dienst kunnen doen.

5. Het teeken.

Van het woordje „eet" de teekens van 't spraakgevoel aanwijzen en de letters (EET) invullen.

Dito die van „één" laten aanwijzen, opdat het kind zegge: „daar moet nu het teeken van het gebrom staan" N.

EE T

^ ra

Vorige teekening.

EE N . . . n ra

6. Het overeenkomstige.

De leerling moet nu „het gebrom van een" opzoeken in eenige woordjes, waarvan de teekeningen in het boekje staan.

Van de woordjes, waarin het kind het gebrom hoort, worden de teekeningen op de lei gebracht, (of van alle), en het kind zet er de letter (N, n) naast.

Sluiten