Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5—8. De a, de ie, de oe, de oo beurtelings op te zoeken in een versje b.v.:

RAADSELTJE.

1. Twee spiegeltjes kwamen

Op mij aan;

Zij bleven eens even Bij mij staan:

2. Ik keek er een poosje

In, — maar ziet....

Ik zag een ander,

Mij zeiven niet.

3. Nu moet ik vragen,

Of gij ook weet:

Wie zag ik? en hoe toch Zoo'n spiegeltje heet.

4. En weet ge niet, waar ik

Die spiegeltjes vond,

Zij had ze, die lachende Bij mij stond.

Voorbeeld:

IE AA

AA

enz.

Sluiten