Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Schrijf naast de woorden aas en aar, hoe ge met den mond doet (spraakgevoel met tweeërlei r).

4. Welk van beide woordjes kunt gij heelemaal hardop zeggen? Bij welk van beide moet gij fluisteren?

5. Aanwijzen van de teekens van het spraakgevoel en zeggen bij welk teeken gebromd (gerateld) of gefluisterd wordt.

6. Het teeken:

kaart met ^ ^

een ^ een aar R

aas -v

Opg. Zoek de woorden, waarin gij het gebrom (geratel) van „aar" hoort en zet het teeken er naast.

Voorbeeld:

| ratel R

parapluie] | stok [ | hoed | | raam | | deur stoel I brood | J kar j boor | | hamer

R = r.

Klankdictee en lezen.

Anton kan paard rij den.

Roel kan rij den op een rij wiel.

Sluiten