Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn broer laat een vlieger op.

Tr|üïj speelt piano.

Pier neemt mijn prop|pen|sp|ui|t.

d en t.

een deur die open staat

1. Gebruik van 't woord: „doe en toe".

2. Teekening op de lei.

3. Schrijf naast de woorden doe en toe, hoe gij met den mond doet.

4. Bij welk van beide woorden moet gij brommen, bij welke niet? („verschil").

5. Aanwijzen van de teekens van het spraakgevoel en zeggen bij welk teeken het kind bromt.

6. Het teeken:

d oe . . . . D , d, d.

bovenstaande ^ 3 teekening t oe n. ^

7. Opgave. Zoek de woordjes, waarin gij het gebrom van doe hoort, en zet het teeken er naast.

den D d

doos trekpot! I deksel tuit | j dak | | goot | | duif | [ III [ | II | | hoeden | laddëï^j | tol |

Sluiten