Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Schrijf naast de woorden die en de, hoe ge met den mond doet.

4. In „die" hoort ge „ie", maar wat hoort ge in «de"? (zij, ze; mij, me).

5. Aanwijzen van de teekens van het spraakgevoel , en zeggen bij welk teeken 't kind de stomme

zegt.

6. Het teeken:

D IE

bovenstaande ^

teekening. D E . ... Z, e, e. k. ^

7. Opg. Zoek in de volgende woorden „e" van het woordje de en schrijf het teeken naast uwe teekening.

Voorbeeld:

mevrouw [, e.

regenen| | boom | |~stok | | beschuitj [pijp] |dopj [gehakt | | geweerj | sabelj | gevest |

Stomme E, e.

Klankdictee en lezen.

Lize jlusjt een rijpe peer.

Zoo, zoo, I lus j t ze maar ééne ?

Een zoete mjeijd die Lize.

Sluiten