Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lipletters.

f en w.

Jan en Piet laten thuis de omgestroopte paraplui zien.

i. Vertelling. 2. Teekening op de lei.

3. Schrijf naast de woorden foei en woei, hoe gij met den mond doet.

4. Welk van beide kunt gij heelemaal hardop zeggen; bij welk woord moet gij fluisteren ?

5. Wijs de teekens aan: Wat bromt gij bij woei en wat fluistert gij bij foei ?

hetzelfde q -iv' • • • F» ^ • f'

,Pre"tje wol" . . w. W, w.

als boven s

6. Opgave. Zoek \\et gefluister van „foei" op in de volgende woorden en zet het teeken naast uwe teekening.

Sluiten