Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Keelletters.

g cn ch.

i. Jongens, die op een omgeworpen hoop hooi liggen te lachen.

i. Vertelling. 2. Teekening op de lei.

3. Gevoelsteekens van lagen en lachen-, hoe het kind met den mond doet.

4. Welk van beide woordjes kunt gij heelemaal hardop zeggen? Bij welk van beide moet gij fluisteren ?

5. Bij de teekens aanwijzen, wat gij fluistert met de keel en wat gij bromt met de keel.

6. Het teeken:

L a c E N . . . G, g. S-

Dezelfde teekening. ^ A CH E N . CH • ch> ch.

^ z> 3 D ^

Zoek dat gebrom van lagen en dat gefluister van

Sluiten