Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wel", riep de kip: ei".

Toen de hond nu haast over den grond rolde van de pret, riep de haan: „daar hoef je niet zoo om te lachen: ik kan tellen en dat is genoeg".

„O ja", zei de hond, „ik weet wel, dat je tellen kunt, want je moet op al de kippen passen".

Toen begon de haan weer te kraaien „kukelekuu" en hij zei: „Maar wie heeft nu gelijk, de kip of ik}"

„O ja", zei de hond, „dat is ook waar: Jij moet nu maar kraaien en ik zal in het zand krabbelen":

„Kukelekuu!" „Krab, krab, krab, krab" deed de hond.

Toen de kip: vTok, tok, tok, tuuk, tuuk", = „krab, krab, krab, krab, krab".

Nu telde de haan, — en de kip had het gewonnen, maar hij knipoogde tegen den hond. „Ik, niet waar ?"

„Wel zeker", zei de hond: „de haan heeft het gewonnen".

De kip, die toch niet tellen kon zei: „Nou dat is niemendal, — je bent ook een haan!" en daarop wilde zij weggaan.

„Hoor eens": riep de haan: „eerlijk is eerlijk, als ik goed tel, heb jij het gewonnen!"

„Wel zoo", riep de kip, „dacht ik het niet!" en zij kakelde nog eens voor pleizier: „tok, tok, tok".

Maar de hond riep: „Wacht eens even, haantje.

Sluiten