Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, mijnheer!" zei Kees.

Kees kwam in den winkel en vroeg „een pond tabak".

Schrijft gij nu eens op, wat de vader zei, en daar onder, wat Kees zei: tabak en tabak.

2. Dito met azijn, maar nu weer azijn en azijn.

3. Men moet het kind wakker houden; is't eerste voorbeeld — of ^ —, dan moet natuurlijk de opgave 't omgekeerde zijn, anders doen ze maar wat na, de tragen.

4. Nog oefeningen met nieuwe woordjes, b.v.

tafel, japon, avond,

paleis, portret, mantel, bezem;

karwats, peper, wafel, enz.

5. Nu wat zwaarder: Maria had een kameraadje die Hekna heette.

„Zóó heet ik": ^ zei Mar/a.

„Neen, je heet zóó: —^ zei de ander, om haar te plagen".

6. Toon zei Maria: „Ik zal jou ook eens plagen hoor: Jij heet zóó: ——".

„Neen", riep de ander, „dat is heelemaal mis, ik heet zoo: — — ^".

Sluiten