Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Doch nu stak de koe haar grooten kop in de lucht en dacht, „dat zal ik hem leeren". Toen zette zij den grooten mond open en riep:

^Boebeleboe", dat de kippen op zij sprongen, en toen ging het nog eens ^boebeleboe".

De haan begon alweer en daarna de koe, tot er een man aankwam, het was de boer zelf, die den haan van de heining joeg, en zei: „Ga weg haan, je hebt zeker kou gevat, dat je zoo heesch kraait, en ook de koe jaagde hij het land in: „Eet gras en geef melk", riep hij, en als ik je weer boebeleboe hoor roepen, dan breng ik je op de markt om je te verkoopen.

Nu is de vraag aan de kinderen: „Waarom kon de haan geen boebeleboe roepen en de koe wel?"

Als de kinderen de oorzaak niet kunnen vinden, zal het beste zijn te zeggen: .Kinderen, dan vraag ik je:

„Wie het geluid „boebeloe" kan maken Zonder de lippen aan elkander te raken?"

Wie lust heeft kan dergelijke fabels verzinnen van de kraai („ka") en het schaap („bè ), van de eend en de geit.

Opgave (voor lei of papier): Bij welke van de

Sluiten