is toegevoegd aan uw favorieten.

Handleiding bij de zeven ontwikkelingstrappen van het lezen leerende kind

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Opm. De kinderen teekenen allen een bel en zeggen „a" kennen wij niet.

Onderw. De kleine Piet zette maar, hoe hij met den mond doet, — doe gij dat ook maar:

Abel Z>(bel)

Toen zei Piet tegen Jan: „Hier staat een raadseltje", — en hij hield de hand op het prentje. Nu, Jan raadde het al gauw, maar hij zei:

„Zoo heet de melkboer niet — —; maar hij heet — —

Toen zei Piet: „En van morgen heb ik Na nog hooren roepen Abél!"

„Ja, roepen" zei Jan, — „dan heb je gelijk; maar is dat nu zijn naam:

I>(bel)

„Toen zei Piet weer, net als gij: Ik heb voor „a" geen prentje".

— „Wil ik je daar eens een prentje voorgeven?" vroeg Jan.

Piet zei, dat het goed was, en toen teekende hij A

„O", riep Piet, „die ken ik wel; dat is een chocolade-a".

„Neen", zei Jan weer, — „dat is nu een echte A".

„Zetten de groote menschen die ook zoo?" vraagde Piet.