Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De aap hield van melk. Hij klom op het deksel, dat met hem van den emmer tuimelde, doch toen klom hij op den kant van den emmer en begon te drinken met zijn snuit, „zóó", in de melk.

Binnen hoorde men het rumoer van het deksel op straat, — en eindelijk hardop lachen, „ha, ha, ha" en toen den melkboer roepen: „Hei, hei jij leelijke aap!"

„Dat is oom, riep Jan; „ik hoor het aan het lachen".

De jongens sprongen op, want zij hielden veel van oom, — en deden de deur open.

„Jongens, berg je aap in den tuin; die zit met zijn neus in de melk van Abel, Goeden morgen!" zei oom en ging zitten.

De jongens brachten den aap weer in den tuin, en zeiden tegen hun vader, dat de melkboer de keukendeur open had laten staan.

„Leg den aap aan den ketting", zei pa.

— „Dat hebben wij al gedaan, pa", was 't antwoord en de jongens keken nieuwsgierig naar oom, die een heel netje vol aal of paling meebracht, want hij was dien nacht uit visschen (peuren) geweest.

's Avonds had de kleine Piet weer heel wat te teekenen.

Opa was er (zie laatste prentje 2e leesboekje),

Sluiten