Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oogenblik over, maar naar A bessin ie te gaan. Daar was nog geen enkel zendeling geweest en hij had de overtuiging dat het zaad der Christen-zending aldaar in zéér goede aarde zou vallen. Het was echter maar een opwelling van het oogenblik, omdat hij zoo gaarne aan den gang wilde. In een brief van 21 Sept. 1841 aan het Londensch Zendingsgenootschap geeft hij verslag van zijn eerste indrukken op het zendingsveld en ontwikkelt hij een gedachte die zich reeds dadelijk, na hetgeen hij gezien en waargenomen had, aan hem had opgedrongen en die hem altijd is bijgebleven. Inlandsche helpers — of die door onze zendelingen in Oost Indië „goeroes" genoemd worden — kunnen veel meer nut stichten onder de Afrikaansche volksstammen dan buitenlandsche zendelingen, werd zijne meening.

In gezelschap van een mede-zendeling uit Koeroeman maakte hij nog vóór het einde des jaars een reis van omstreeks 400 mijlen het binnenland in en bezocht hij Sesjéle — later zeer met hem bevriend — en diens stam te Sjonoeane. Deze reis bevestigde hem in zijn opvatting wat „goeroes" betreft, en gaf hem tevens de overtuiging dat ongeveer 250 mijlen ten noorden van Koeroeman zich een geschikte plaats voor een zendingspost bevond. Na te Koeroeman nog drie maanden te vergeefs op instructies gewacht te hebben, vertrok hij den 10on Febr. 1842, nu alléén, om zijn belofte van terug te zullen komen, aan de Bakoeënen en hun hoofd Boebi gegeven, te vervullen. Ontslagen van zijn uitgebreide dokters-

Sluiten