Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ergens elders heen te gaan, mits het maar „in voorwaartsche richting" zou zijn.

Er was één groote schaduwzijde aan het overigens in een dal zoo schoongelegen Mabotsa. Deze was, dat men er zooveel overlast had van leeuwen die des nachts troepsgewijze uittrokken en voortdurend aanvallen op het vee deden. In den tijd waarvan wij thans spreken, waren de leeuwen zóó brutaal geworden dat zij de kudden zelfs op klaarlichten dag begonnen aan te vallen. Omdat dit een óngewoon verschijnsel was, geloofde het volk dat het onder eene betoovering lag, „in de macht der leeuwen gegeven — zooals het zeide — door een naburigen stam." Eens trok een deel der bewoners van Mabotsa er op uit om jacht op de dieren te maken, doch bang van aard, zooals de Betsjoeanen gemeenlijk zijn bij zulke gelegenheden, keerden zij terug zonder een enkelen leeuw gedood te hebben. Gelukt het één uit den troep te dooden, dan gebeurt het niet zelden dat de geheele troep dat gedeelte des lands verlaat. Toen nu het vee weder werd aangevallen trok Livingstone zelf met het volk uit, om hun moed in te boezemen en, als het kon, een der roofdieren neer te leggen, zoodat dan de andere wel voor goed op de vlucht zouden gaan. Men vond de leeuwen op een klein kopje, met boomen bedekt. Er werd een kring van menschen om den heuvel opgesteld en nu drong men, aaneengesloten, voorwaarts en naar boven, blijde zoo dicht bij elkander te zijn. Livingstone bleef met Mebalwé beneden op

Sluiten