Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het vlakke terrein. Zij zagen een der leeuwen op een stuk rots zitten, binnen den afgesloten kring der menschen. Mebalwé vuurde op het beest nog vóór dat de zendeling zulks deed, en de kogel kwam, missend, tegen de rots aan waarop de leeuw zat. Deze beet naar de getroffen plek, zooals een hond naar een stok of steen doet, dien men hem toewerpt. Toen sprong hij weg, brak door den zich openenden menschenkring heen en ontkwam, zonder geraakt te zijn. De mannen waren te bang geweest om hem aan te vallen, misschien omdat zij nog steeds geloofden aan de betoovering. Toen de kring weder gesloten was, zagen Livingstone en Mebalwé dat zich nog twee andere leeuwen daarbinnen bevonden. Doch zij durfden niet te vuren uit vrees van de menschen te raken, — en zóó braken ook deze twee ongehinderd door. Indien de Bakhatla gehandeld hadden naar het gebruik in die streken, dan zouden zij hun speren naar de leeuwen geworpen hebben, zoodra deze poogden den kring te verbreken. Verder laten wij den zendeling zeiven aan het woord:

„Ziende dat wij hen er niet toe konden krijgen een der leeuwen te dooden, richtten wij onze schreden dorpwaarts. Langs den uitlooper van den heuvel gaande zag ik echter een der dieren op een stuk rots zitten, zooals te voren de andere leeuw, maar voor dezen lag een klein kreupelboschje. Daar ik ongeveer een dertig el van hem af was koos ik een goed mikpunt op zijn lichaam, dóór het boschje heen, en vuurde de twee loopen tegelijk op hem af. De lieden schreeuwden: „Hij is geraakt, hij is geraakt! Laten we nu op hem toe gaan!" Anderen riepen: „Hij is óók nog door een anderen man geiaakt!" Ik had geen ander op hem zien schieten, doch wel zag ik hoe de woedende leeuw den staart heftig pluimschudde achter het boschje. Mij naar het volk wendend riep ik: „Wacht nog even totdat ik weer geladen heb." Terwijl ik bezig was de kogels in de loopen te doen hoorde ik op eens een schot. Opkijkende

Sluiten