Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te vergeefs geweest. Op Zondag werd er geen werk meer in de tuinen verricht en ook niet gejaagd. Hun bijgeloof aangaande het „regen maken" had een gevoeligen knak gekregen en de regendokters die regen zochten te wekken, waren eenigszins in miscrediet gekomen. Er was werkelijk begeerte naar kennis, ofschoon deze door den hongersnood, die in aantocht kwam als het gevolg van gebrek aan water, wel wat verflauwde. Ook had de bevolking over het geheel den indruk verkregen dat zendelingen hunne vrienden waren. Doch beschaving zonder bekeering was een al te schrale belooning voor al dien arbeid! Livingstone schreef aan zijn directeuren:

„Als onze zendelingen thans naar deze streken die ik onlangs bezocht heb, door wilden dringen, dan zouden zij naar alle waarschijnlijkheid voorkomen dat de inboorlingen in denzelfden toestand van beslisten haal tegen alle Europeanen geraken, als nu, naar ik vrees, de Kaffers in den omtrek van de Kolonie vrij algemeen kenmerkt. Indien inboorlingen door aanraking met Europeanen niet worden veredeld, dan kan men er zeker van zijn dat zij slechter worden. Het is met een gevoel van leedwezen dat ik onlangs heb waargenomen dat de stammen thans het laatstgenoemd procés ondergaan. De Boeren haten de zendelingen, ') doch door een vriendelijken en verstandigen gedragslijn te volgen, kan iemand heel goed met hen verkeeren. Zij zijn zeer gesteld op medicijnen en ik ben van plan mij een voorraad Hollandsche tractaten aan te schaffen om onder hen te verspreiden, (Livingstone had zich indertijd, toen hij nog in Kaapstad was, ook eenigszins op het Hollandsch toegelegd). De inboorlingen, die aan Moselikatse onderworpen zijn geweest, stellen een onbegrensd vertrouwen in de zendelingen".

Daar het uitblijven van regenwater en het gebrek aan voedsel te Sjonoeane noodlottig was voor den landbouw en evenzeer noodlottig voor de zending,

*) Men zal later zien, in hoeverre Livingstone recht had om zoo te schrijven.

Sluiten