Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er steeds op bedacht zijn hoe de bestaande krachten met het meeste voordeel te gebruiken en in deze en gene richting rondzien, honderden mijlen ver, waar het geschiktst Christen-inlanders zouden kunnen worden geplaatst. En om al deze zaken te bevorderen en te bepleiten schreef hij bovendien nog lange brieven aan de directeuren, aan zendingstijdschriften, aan particuliere vrienden, ja aan ieder die maar belang stelde in zijn plannen. In het begin van 1849 maakte hij een reeks reisjes naar het noorden, in de hoop daar in die streken Christen-inlanders te kunnen vestigen. Aan het eind van dat jaar kreeg hij een bezoek van den Heer Freeman, van het Londensch Genootschap, die destijds de Afrikaansche zendingsposten afreisde. Deze was tégen uitbreiding en vóór het bezet houden alléén van de posten in de Kolonie door L u i o p e e s c h e zendelingen, — tot grooten spijt van Li\ingstone. Men zag te veel op tegen de grootere onkosten. Bovendien was er niemand, behalve Dr. Moffat en hij-zelve, willens om te gaan. Livingstone woonde 270 mijl van Koe roe man; er moest heel wat af van de 100 Pond waarop hij jaarlijks recht had, daar al het benoodigde per wagen van Koeroeman moest worden aangevoerd; van verhooging van salaris kon geen sprake zijn, en hij wilde er ook niet om vragen. En toch, hoe gaarne hij ook verlangde het binnenland een 600 mijl dieper in te trekken, zonder verhooging behoorde het vrij wel tot de onmogelijkheden. „En ik kan geen onmogelijkheden doen," zeide Livingstone, ofschoon wij boven zagen

Sluiten