Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

peaan betreden waren, op te zoeken en zóó als het ware te ontdekken. Een sterke aandrang was ook dat Sesjéle wegens zijn onafhankelijkheidsgevoel en Engelsch-gezindheid bij de Boeren erg gehaat was, en ook Livingstone meer en meer begon in te zien dat het noordoosten boven Kolóbeng, door de besliste houding, die Pretorius tegen het vestigen van inlandsche zendelingen aannam, voor hem en zijn zendingsplannen vooreerst afgesloten zou blijven. „Vooronderstel dat wij naar het noorden gaan — vroeg de zendeling aan Sesjéle — zoudt gij dan mede komen?" Sesjéle zeide daarin grooten lust te hebben, te meer daar Sebitoeane hem eens als jongen bij zijn vaders dood het leven gered had en hij daarna altijd zeer bevriend met hem was gebleven. Het trof ook dat Lesjoelatébe, een hoofd van de bevolking aan het meer, boodschappers aan den zendeling had gezonden met verzoek hem te komen opzoeken, tevens hoog opgevende van de groote hoeveelheid ivoor die in zijn bezit was. Dit laatste wekte de begeerte van de gidsen der Bakoeënen op, zoodat ook deze voor den tocht te vinden waren. Sekómi, die reeds vroeger ter sprake kwam en eigenlijk Sesjéle als hoofd te erkennen had, raadde de reis sterk af om de gevaren die — zooals hij voorgaf — er aan verbonden waren. Als het kon wilde hij de onderneming voorkomen, bang zijnde dat hij er zijn alleenhandel in ivoor door zou verliezen.

Den lcn Juni 1849 vertrok Livingstone van Kolóbeng, vergezeld van twee Engelsche jachtliefhebbers,

Sluiten