Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de heeren Murray en Oswell. Sesjéle echter was niet van de partij; hij vreesde voor een overval van de Boeren tijdens zijn afwezigheid. De beide jagers betaalden de onkosten der gidsen. Men moest de groote Ka 1 ah ar i-woestijn door, de wijk- en woonplaats der Bakalahari en Boschjesmannen, en later ook van vele Be ts j oean e n-stanimen, door de Matabili-Kaffers daarheen verdreven. Eerst weigerde Sekómi hen door zijn land te laten trekken, doch door een geschenk werd eindelijk deze verhindering opgeheven. In de woestijn verkreeg men op eigenaardige wijze water, waaraan al spoedig gebrek was. De gidsen groeven met de handen, daar zij van een spade niet wilden weten, een groot gat van ongeveer zes voet diep, totdat zij op een zandkorst stootten; hier vloeide dan langzaam het water uit het zand van den naasten omtrek over heen. Men moest zeer oppassen deze zandkorst niet door te stooten, want dan verdween op eens al het water in de zich daaronder bevindende zachtere lagen. Het verbaasde Livingstone zeer dat de dieren die door de jagers werden neergeveld, betrekkelijk zooveel water in de maag hadden, terwijl er toch nergens water te bekennen was. Hij schreef dit toe aan het groote Watergehalte der planten, waarmede zij zich gestadig voedden.

Er werd veel dorst geleden onder weg, want niet altijd wilde in de kuilen het water toevloeien; vooral de ossen hadden erg te lijden, daar er vaak niet voldoende water voor hen was. Eens scheen het dat

Sluiten