Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij spoediger dan zij dachten het doel van hun reis hadden bereikt. Op een keer namelijk liep Osvvell een eindje voor hen uit en zag hij, na een kleine maar dichte groep boomen gepasseerd te hebben, een prachtig groot meer, wel twintig mijlen in omvang. Hij wierp op dat gezicht van vroolijkheid zijn hoed in de lucht en uitte zulk een geweldigen jubeltoon, dat de Bakoeënen dachten dat hij niet wel bij het hoofd was geworden. Livingstone liep een weinig achter hem aan, en ook h ij geloofde nu werkelijk het 'N ga mi-meer voor zich te hebben. Ja, hij gevoelde zich zelfs eenigszins spijtig dat zijn vriend hem bij de ontdekking van het meer vóór was geweest. Doch het eigenlijke meer lag wel 300 mijl verder het land in. Wat zij vóór zich hadden was niets anders dan een luchtspiegeling, veroorzaakt door een zoogenaamde zeer uitgestrekte zoutpan, die in het felle zonlicht schitterde en glansde als de oppervlakte van een groot, golvend water. Zóó treffend was de gelijkenis dat de paarden, ossen, honden, ja zelfs de Hottentotten van Oswell naar deze bedriegelijke watervlakte heenholden, en een kudde zebra's werd zóó sterk door de luchtspiegeling vergroot, dat zij van verre veel op een troep olifanten geleken en Oswell een paard begon te zadelen om er jacht op te gaan maken.

Den 4on Juli kwamen zij bij de schoone rivier de Zoega, die uit het 'N ga mi-meer haar water ontvangt. Het volk dat daar woonde was zeer vriendelijk. Sekómi echter gaf zich alle moeite om

Sluiten