Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met volgende jaar zou hij weer trachten Sebitoeane te bereiken. In April 1850 verliet hij Kolóbeng, dezen keer vergezeld van zijn vrouw en de drie kinderen, van Sesjéle, Mebalwé en twintig Ba koeenen. In den tijd dat zij reizende zouden zijn was het volk toch bezet door allerlei arbeid en er kon weinig zendingswerk verricht worden vóór en aleer de oogst zou zijn binnengehaald. Sekómi had de gegraven putten dicht laten werpen. Zij trokken daarom een weinig oostelijker, langs de stad deiBa mang wat o. De reis werd er niet gemakkelijker om, daar op weg naar de Zoega verscheidene boomen moesten worden omgehakt om voor de wagens van Sesjéle en den zendeling een weg te banen. Weer kwamen zij aan de reeds genoemde Taman a k' 1 e-rivier, doch vernamen daar dat aan haar oevers de beruchte tsetse-vlieg geweldig huishield, tegen welker doodelijken beet, hoewel onschadelijk voor de menschen, geen os of ander tam dier bestand is. Er moest dus een andere route gekozen worden. Toen zij eindelijk bij het meer aankwamen, troffen zij er een troepje Engelschen aan, die hevig door koortsen waren aangetast. Een hunner, een veelbelovend schilder, Alfred Rider, stierf, doch de anderen herstelden onder de goede zorgen van den zendeling-dokter en diens vrouw. De aanwezigheid van vrouw en kinderen was een groot voordeel voor den zendeling: het boezemde den inboorlingen vertrouwen in en stemde hen zachter en vriendelijker.

Doch een verdere tocht naar Sebitoeane zou ook

Sluiten