Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bleef nu nog slechts een heel klein beetje voor de kinderen over. Men bracht angstige nachten door, vooral de vierde nacht, en hoe minder water er den volgenden dag was, hoe meer de kleine kleuters over hun dorst klaagden. De gedachte hen van dorst te zullen zien omkomen, was verschrikkelijk. Geen enkel verwijt kwam over de lippen der moeder, hoewel de traan in het oog getuigde van de folteringen die zij inwendig leed. In den namiddag van den vijfden dag keerden, tot hun onuitsprekelijke verlichting, enkele uitgezonden mannen met wat water terug, — een drank, waarvan zij nog nooit te voren in die mate de hooge waarde hadden beseft. Hoofdoorzaak van dit alles was geweest dat Sjobo, de gids, reeds op den tweeden dag met den weg in de war was. Zij hadden hem den voorgaanden avond op alle mogelijke wijzen op het hart gebonden, om toch flink uit te kijken en goed op den weg te letten. Doch hij ging naar alle richtingen van het kompas, de op den bodem liggende uitwerpselen volgend van olifanten die blijkbaar in het vorig regenseizoen daar ter plaatse waren geweest. Eindelijk gaf hij het op, ging op den grond zitten en deed niets dan in zijn gebroken Sitsjoeaansch uitroepen: „Geen water, alles maar land; Sjobo slaapt; hij is óp'; alléén land!" Daarop gaf hij zich een gemakkelijker houding en ging hij liggen slapen. Op den morgen van den vierden dag verdween hij, na te hebben bekend dat hij zoo wat niets van den weg af wist. Het is te begrijpen dat ook de ossen zeer afgemat en dorstig

Sluiten