Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1853 in Linjanti, de hoofdstad der Makolólo, aan. Gaarne had hij Kolóbeng nog eens willen opzoeken en zelf de verwoesting aldaar in oogenschouw nemen. Doch het ging niet. Van een bezoek aan het grafje van de kleine Eliza kon dus óók niets komen. Livingstone had gehoord dat de Boeren nog steeds in de buurt waren en zij hem gaarne zouden willen oppakken, als zij hem in handen konden krijgen. Daarom wilde hij Kolóbeng toch maar liever niet aandoen. Op deze reis vond hij overvloedig water. In de Ka 1 ahari-woestijn was sinds 1852 veel regen gevallen, en de landstreek verderop was er bijna door overstroomd. Soms was hij genoodzaakt onder stortbuien door waterplassen en kreken van drie, vier voet diep te waden. Ook vormden de boomen, het doornachtige struikgewas en vooral de rietvelden dikwijls groote belemmeringen. De kleeren hingen op het laatst den reizigers aan flarden aan het lichaam, nadat zij zich vaak een weg hadden moeten kappen door het scherpe en dichte riet. Ilun handen waren gedeeltelijk ontveld en vol bloederige wondjes en hun knieën staken door hun broekspijpen. Zij scheurden hun zakdoeken doormidden en bonden deze over de knieën heen. t leming bewees uitstekende diensten en spaarde zich nooit. Livingstone had heel wat moeite om er bij de gidsen den moed in te houden, doch door eigen voorbeeld wist hij hen telkens weer aan te wakkeren. Aan zijn vrouw schreef hij later dat hij bij een riviertje nog aan een groot gevaar ontsnapt was.

Sluiten