Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een handel in ivoor te openen, werd er van hun kant geen belemmering in den weg gelegd. Livingstone onderstelde onder weg meer dan genoeg wild te zullen aantreffen om zijn volk te kunnen voeden. Daarom nam hij, om zijn lieden niet te veel te bezwaren, alleen wat beschuit, een paar ponden thee en suiker, een twintig pond koffie en verder een kleinen voorraad andere noodzakelijke benoodigdheden mede, waaronder ook geneesmiddelen, drie musketten, een jachtgeweer en een twee-loopsgeweer voor eigen gebruik, benevens een tooverlantaarn, van welker uitwerking op de onbekende volksstammen hij zich veel voorstelde. Ook werden een twintig pond kralen en een kleine linnen tent om in te slapen, ingepakt. Livingstone was er altijd sterk voor om zoo weinig mogelijk op reis mede te voeren, daar al het overtollige maar last bezorgde. Zooals gezegd, vertrok hij den llon November van Linjanti, tot aan de Sjóbe vergezeld door Sekelétoe en diens voornaamste mannen, om daar in kanoe's scheep te gaan. Toen 'hij de reis aanvaardde was hij nog niet geheel beter, daar hij nog al veel last had van anderdaagsche koortsen en dysenterie. Wij kunnen hem op die reis niet op den voet volgen, doch slechts, evenals uit zijn volgende reizen, het voornaamste aanstippen.

Nadat Sekelétoe teruggekeerd was en het reisgezelschap uit de Sjóbe de Leeambai of Zambési was opgevaren, werd den 19pn November de stad S e s j é k e bereikt. Hier woonden oorspronkelijk de M a k a 1 a k a, een slaafsch ras, dat door de

Sluiten