Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen men verderop kwam, hielden de regenbuien op en begon er een zeer afmattende gloeihitte te heerschen. Op den 19on Januari, een Zondag, lagen én de zendeling én verscheidene van zijn reisgenooten ziek aan de koorts, terwijl de thermometer in de tent boven de 90° wees en de heete atmosfeer bijna ondragelijk was. Bovendien begon er groot gebrek aan voedsel te komen, zoodat Livingstone wel genoodzaakt was nu en dan een van zijn ossen te laten slachten. Hij zelf at bijna niet, van wege de koorts — eens zelfs in geen twee dagen —, kon des nachts niet slapen en deed maar niets dan water drinken. Dit verzwakte hem natuurlijk geducht. Bij een hoofd dat hem vriendelijk onthaalde en ook gidsen mede gaf, zag hij de bevolking kanaries en andere vogels in kooitjes hebben „omdat zij zoo lief zingen," naar men zeide. Zóó iets had hij niet verwacht bij deze overigens zoo onbeschaafde inlanders. Verder op de reis kwam er werkelijk gebrek aan voedsel, daar de bewoners niets meer uit eigen beweging ten geschenke gaven — tot groote verbazing der Makolólo die zóó iets niet gewend waren —, maar wel voedsel wilden inruilen tegen kruit, dat de reiziger niet missen kon, of ook tegen katoen, dat hij niet had. Met kralen kon nog wel eens wat gedaan worden; doch vooral hiermede moest hij zuinig te werk gaan, daar hij er niet te veel van bij zich had en hij ze later misschien nog meer noodig kon hebben. Ook wilden sommige hoofden de reizigers niet laten passeeren tenzij tegen betaling van een

Sluiten