Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

marcheerd te hebben, toen het gevaar zoo wat achter den rug was, werkelijk óp te ademen, terwijl enkele mannen hun dankbaarheid toonden met den uitroep: „Wij zijn Jezus' kinderen!" Ook de zendeling dankte God vurig voor Zijn groote genade. Hij had nog zijn wollen deken, die hij van wege de koortsen zoo moeilijk missen kon. Doch ook van dezen moest hij afstand doen en hem aan een stamhoofd — gelukkig het laatste — geven; zijn mannen toch hadden vrij wel niets meer af te staan. Het hoofd was er niet mede tevreden en enkele koperen ringen, die sommige mannen nog om de beenen droegen, moesten er bij. De tent was gerafeld en gescheurd en aan den achterkant was een nog grooter scheur dan de opening die aan den voorkant tot ingang diende. Te vergeefs poogde de reiziger, als hij in zijn tent lag, zich aan het gezicht van zijn vervolgers te onttrekken. Letterlijk van alles had men nu afstand gedaan, om dit laatste opperhoofd te bewegen hen over de Kwango-rivier te zetten; zij zouden zich dan op Portugeesch grondgebied bevinden. Doch het hoofd was er maar niet toe te krijgen. Gelukkig kwam er hulp opdagen in den persoon van Cypriano de Abreu, een jong, halfbloed-Portugeesch sergeant, die zich juist op dat oogenblik aan dezen kant van den K wan go bevond. Deze wist schikkingen met het lastige stamhoofd en zijn veerlieden te maken, en de overtocht vond plaats. Na de verschijning van Cypriano was de grootste ellende geleden. Hij ging met hen mede

Sluiten