Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het vaartuig vaak door beladen kanoe's voorbij geroeid, terwijl de roeiers dan een medelijdenden blik op dezen „Asthmalijder" wierpen. Ieder oogenblik moest de boot aan den oever gehaald worden, om de zoogenaamd-stalen plaatbedekking na te zien. De bodem geleek op het laatst wel een zeef, zóó vol gaatjes, die geregeld water opzogen. De machinist trachtte de grootste wel toe te stoppen, doch telkens ontstonden er weer nieuwe bij. Dikwijls stond de kajuit geheel onder water en soms steeg dit in het ruim wel een voet hoog. Wat niet door de lekken naar binnen drong, voerde in den regentijd de regen aan, door het dek heen: wilde men in dien tijd schrijven in de kajuit, dan moest het met een parapluie boven het hoofd. Dat door een en ander koorts niet kón uitblijven, ligt voor de hand. De Kroo-mannen werden thans bij den terugkeer ontslagen. Zij konden nu door M a k o 1 ó 1 o vervangen worden, en daar zij voor lange marschen niet geschikt waren, zou men verder niet veel aan hen gehad hebben.

In Augustus 1859 werd een derde reis op de Sjiré gemaakt om, zoo het kon, te voet naar het noorden van het Sjirwa-meer te trekken, en van daaruit het N y a s s a-meer, waarvan men had hooren spreken, op te sporen. Hiertoe liet men op het einde van Augustus ergens onderweg de barkas achter. Het reisgezelschap bestond in zijn geheel uit 42 man, nl. uit 4 blanken, 36 Makolólo en 2 gidsen. Allen waren met geweren gewapend, hoewel het meerendeel niet kon schieten en daardoor soms meer ge-

Sluiten