Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij terecht, „zelfs tot in die mate, welke de wereldwijzen zwakheid zouden noemen, dat overal de overtuiging wordt verwekt dat onze beweeggronden edel zijn en men ons dus gerust kan hoogachten."

Overal werden de reizigers nu vrij goed ontvangen, vooral ook door 'Mpende, die hun op de reis naar de kust zoo aanhoudend lastig had gevallen; hij had thans ingezien dat deze menschen tot een stam behoorden „die den zwarten man liefhad en geen slaven maakte," zooals de Portugeesche kolonisten. Van de Baënda-pezi of Naaktgangers, — een stam waarvan de vrouwen kleeding droegen, doch de mannelijke leden zich alleen met een huidoverdekking van roodaard bekleedden —, kwam er een in vollen pronk voor den dag, d. w. z. voorzien van een lange tabakspijp, wat een allerzonderlingsten indruk maakte. Op de vraag of hij zich niet schaamde, antwoordde hij dat „God hem naakt had geschapen en hij daarom nooit ofte nimmer eenige kleeding had gedragen of dragen zou." Livingstone maakt de opmerking dat 's man's redeneering veel geleek op die, welke hij eens van vuile lieden hoorde, die hun gebrek aan afkeer van viezigheid daardoor rechtvaardigden dat „hun vingers eerder geschapen waren dan de vorken." Doch op de echte, nog geheel oorspronkelijke inlanders moesten de in hun oog zoo vreemdsoortig toegetakelde blanken al even afstootend werken. Livingstone zegt er van:

„Als wij bij het betreden van dorpen, die voorheen nooit door huropeanen bezocht waren, een kind ontmoetten dat rustig en

Sluiten