Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij de En gel sc hen bemerkten, en vier en tachtig mannen, vrouwen en kinderen werden bevrijd en in de hoede van den vriendelijken Bisschop opgenomen. Zij waren geroofd door den naburigen vijandigen stam der Ajawa en behoorden tot de Manganja, bewoners van het Sjiré-dal. De verlosten knielden neder en klapten in de handen, om op die wijze hun dankbaarheid te kennen te geven, nadat er eerst heel wat messen in de weer waren geweest om de riemen, waarmede de vrouwen en kinderen gebonden waren, los te snijden. Lastiger was het om de mannen te bevrijden van den vorkstok, in welks gaffelvormig vooreinde hun hals, door een ijzeren bout aan beide zijden vastgeschroefd, zat ingesloten; het was een instrument, vrij wel in vorm gelijk aan de bekende katapulten, waarmede jongens door middel van een sterk gespannen elastiek steentjes wegschieten; de stok die wel zes of zeven voet lang was, werd door een volgenden slaaf onder het loopen vast en in de hoogte gehouden. Gelukkig was er een zaag in de goederen-voorraad van den Bisschop aanwezig, en weldra waren ook de mannen in vrijheid. Toen aan de vrouwen werd aangezegd, dat zij van het meel dat zij droegen nemen mochten en voor zich en hare kinderen een ochtend-ontbijt koken, schenen zij dat nieuws voor te goed te houden om waar te kunnen zijn. Er werd een flink vuur aangelegd van de slavenstokken en de riemen — rampzalige herinneringsteekens van menig treurigen nacht en menig vermoeienden dag! —; de potten, die zij hadden

Sluiten