Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„geesels des lands" zouden dus nu worden opgezocht om een onderhoud met hen te hebben. Onder weg kwam het gezelschap een troepje vluchtende Manganja tegen, die alles hadden moeten achter laten, behalve het weinige dat zij op het hoofd konden dragen. Al de dorpen waarlangs zij kwamen, waren verlaten en voor het meerendeel verbrand. Tegen den middag zagen zij den rook van nog brandende dorpen en hoorden zij juichgeschreeuw, vermengd met het klachtgejammer van M anga n j a-vrouwen, die om hun verslagenen jammerden. De Bisschop riep allen tot een ernstig gebed op en toen zij zich van de knieën oprichtten, zagen zij juist een grooten troep Ajawa met hun gevangenen den heuvel omtrekken, op weg naar hun dorp aan den voet van de helling, waar men de vrouwen hen reeds van verre met haar „Lilliloo"-geroep kon hooren begroeten. Het hoofd der Ajawa nam, staande op een mierenheuvel, het gezelschap op een afstand eens waar, terwijl hem werd toegeroepen dat men vriendschappelijk met hem wenschte te spreken. Doch eenige Manganja bedierven alles. Zij begonnen het hoofd toe te schreeuwen dat „Sjibisa" was gekomen, een zeer machtig stamhoofd der Manganja, die tevens den naam had van een groot toovenaar te zijn. Dit geschreeuw bracht alles in de war, want nu begonnen de Ajawa met hun vergiftigde pijlen op de lieden van den Bisschop te schieten. Te vergeefs verzekerden Mackenzie en de zijnen dat zij met goede bedoelingen kwamen en niet om te vechten:

Sluiten