Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was uitgegaan om eenige bij een vorigen tocht gevangen genomen mannen van de Manganja, die tot den zendingspost behoorden, uit de handen der Ajawa te verlossen, daar hun vrouwen niets deden dan jammeren en weeklagen. Dit .was volkomen goed gelukt. Doch toen de Bisschop, reeds een week verlaat zijnde, met Burrup trots het ingetreden regenseizoen tóch nog wilde beproeven, den mond van de Roeo te bereiken om, zooals was afgesproken, aldaar zijn zuster en de anderen te ontmoeten, sloeg 's nachts door de sterke strooming van het gewassen water zijn kanoe om en gingen al hun kleederen, medicijnen, thee, koffie en suiker verloren. Doornat, overspannen van vermoeidheid en gemarteld door muskieten, bleven de zendelingen tot het aanbreken van den dag in een andere kanoe liggen en voeren toen naar Malo, een eilandje in de monding van de Roeo. Daar werd de Bisschop onmiddellijk door een hevige koorts aangetast; van verder trekken naar Sjoepanga of naar het vaartuig was dus geen sprake. De hoofdman van de streek — in een van wiens hutten de Bisschop was binnengebracht, — vermoedelijk denkende dat het een blanke Portugeesche slavenjager was, wilde den reeds uiterst verzwakten man uit zijn hut verjagen, doch dit werd door bidden en smeeken van de Makolólo voorkomen. Deze pasten hem drie weken lang trouw op, doch daar hij geheel zonder geneesmiddelen en nagenoeg zonder passende voeding was, moest hij wel bezwijken. Zij begroeven hem aan den

Sluiten