Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de M a k o 1 ó 1 o uit noodweer, daar reeds twee hunner gewond waren geworden door vergiftigde pijlen. Men drong dan ook niet dieper door, vooral toen het bleek dat van uit die rivier geen waterweg naar het Ny as sa-meer bestond. Zij wilden nu weder langs de Z ambési en de Sjiré trachten er te komen, en vandaar dat men terugkeerde. Eerst in het begin van 1863 waren zij bij machte zulks te beproeven. Treurig was het, dat al dat reizen en trekken, en de ontdekkingen daarbij gedaan, slechts des te sterker de bedrijvigheid der slavenhandelaars prikkelde, die de expeditie steeds op den voet volgden en blijkbaar in de hand gewerkt werden door de plaatselijke Portugeesche gezaghebbenden, welke er veel belang bij hadden dat de slavenhandel bleef voortbestaan. Het geschrijf er over hielp niet veel. De expeditie keerde nu terug naar Tette en stoomde den 10on Januari 1863 in den „Pioneer" van daar weg, met de „Lady Nyassa" op sleeptouw. De verwoesting, die een zekere Marianno — een halfbloed Portugeesch slavenhandelaar — had aangericht op zijn rooftochten, was hardverscheurend. De lijken dreven zoo maar de rivier af en 's morgens moesten de raderkasten eerst schoongemaakt worden van de lichaamsdeelen, die er gedurende den nacht tusschen waren geraakt. Overal waar men liep, zag men op de reis menschengeraamten in de meest verwrongen houdingen, waarin de arme schepsels den laatsten adem hadden uitgeblazen. Maakte men gesloten hutten open, dan kwam de lijkenlucht daaruit te gemoet. Het gezicht op deze woestenij,

Sluiten