Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd ter sprake gebracht. Doch alles zou zuiver aardrijkskundig werk moeten worden. Livingstone gevoelde zich zeer tot dit voorstel aangetrokken, maar — zoo schreef hij aan Sir Roderick — hij was vast overtuigd dat hij dan alleen behoorlijk zijn plicht kon doen, als hij als ze n d e 1 i n g werkte, d. w. z. steeds aanraking zocht met de stammen en deze zooveel mogelijk eenig begrip van het Christendom trachtte aan te brengen door hun het Evangelie te verkondigen. Sir Roderick echter meende dat zendingswerk noodwendig het aardrijkskundig werk belemmeren en schaden zou. Doch op d i t punt bleefLivingstone onverzettelijk. Nooit zou hij den zendingsarbeid opgeven, hoeveel of hoe weinig hij dan ook misschien als zendeling kon uitrichten ; hij zou zich nimmer aan het Aardrijkskundig Genootschap verbinden, als hem daarin niet de vrije hand werd gelaten en hij uitsluitend aardrijkskundig onderzoekei' zou moeten wezen. Hij vreesde de „Lady Nyassa" te moeten verkoopen, daar de passaatwinden in de richting van Afrika naar Indië, dus tégen zouden waaien, vóórdat hij vertrok. En haar doelloos laten liggen, ging óók niet aan. Hij wilde dus gaan als zendeling-reiziger, die tevens ook aardrijkskundige waarnemingen deed; hij gevoelde het nog steeds een opdracht, hem van God gegeven, om te trachten den armen stammen nieuw licht te brengen of hun land te openen voor wettigen handel. Lord Palmerston liet hem kort na deze aanbieding vragen of hij soms iets voor hem doen kon. Doch Livingstone dacht niet aan zich-zelven en vroeg

Sluiten